Het Gat van Jan Verweij


Door: Hans Jacobs
Plaats: Ewijk
Thema: Het Veerhuis
Periode: 20ste eeuw

Het is zo’n plek waar je uren kunt zijn. Gewoon alleen kijken. Een plek aan een rivier. Zoals in Ewijk bij Het Veerhuis. Kijken naar schepen die voorbij varen. Een schier oneindige polonaise van heen en weer. Waar komen ze vandaan? Waar gaan ze heen? Wie zou er op zo’n boot wonen en werken? Wat hebben ze als vracht? En uiteindelijk de stille wens: ik wou dat ik mee mocht.

Gedachten die een even hoge dijk vormen als de kleimassa die tegen de uitwassen van de rivier beschermt. Nu, maar zeker ook vroeger, toen de schaduw van de brug over de Waal alleen in de gedachten van ingenieurs woonde. Toen het veerhuis nog café Het Veerhuis was en heel Ewijk en wijde omgeving er op bezoek kwam. Om te zwemmen, te vissen, te schaatsen, te sleeën, inkopen te doen, de rivier over te steken, een borrel te drinken. Toen, in de tijd van veerbaas Jan Verweij, zijn vrouw en kroegwaardin Lies Verweij en iedereen het had over het Gat van Jan Verweij. De tijd rond de oorlog tot aan de periode dat de brug de heen en weer functie had overgenomen.

Of het er gezellig was? Als geen ander weet Henk Verweij, zoon Jan Verweij, het antwoord. Over de tijd dat er bergen klompen voor de ingang van het café lagen en de mannen na de hoogmis naar de dijk gingen om naar de rivier te kijken en natuurlijk een borrel te drinken. Stoomschepen voerden de boventoon, trekschuiten met een sleep van soms wel acht bakken. Met de handen op de rug kijken, een borrel drinken, met elkaar bijpraten en daarna naar de zondagse soep. "Via het bruggetje kwam je bij ons binnen."Henk Verweij reist terug in de tijd. "Eerst was er wat we de zaal noemden. Daar lagen de dekkleden en de spullen opgeslagen die door de Nijmeegse boot die van Nijmegen naar Rotterdam voer, werden afgeleverd." Met zijn bootje ging Jan Verweij de rivier op om de spullen van de Nijmeegse boot over te nemen. En natuurlijk ook om producten in te schepen: kersen in bussels, bessen, rooibessen, kruisbessen. Allemaal fruit van boeren in Ewijk en omgeving dat door de boot werd meegenomen om elders verwerkt te worden. Via de zaal kwam ja dan uiteindelijk in het café: een tapkraan met ZHB bier, tafels, stoelen en altijd Lies. Lies deed het café, Jan was de man van het water en de zand- en grinthandel. Want ook daar werd het Gat van Jan Verweij voor gebruikt. Schepen met hun lange giek die het zand met bakken uit de schepen aan de wal transporteerden. Wie wilde bouwen, moest met paard en wagen bij Jan de grondstoffen halen. Of de kolen voor een warme winter. Een handelscentrum, waar altijd wel wat te doen was.

Maar een belangrijke bron van inkomen was natuurlijk het veer. Het veer van Jan. De man die van ´s morgens heel vroeg tot soms wel diep in de nacht met zijn bootje heen en weer voer. "Mijn vader wist precies hoe hij moest varen. Zelfs in de dichtste mist wist hij veilig te overkant te bereiken. Eerst tussen de kribben door en dan in een keer naar de overkant." Jan met de grote handen die als geen ander de nukken van de Waal kende. Hij zei niet veel. Hij luisterde en als het nodig was, hielp hij de mensen, zo zeggen de kenners uit die tijd. Zijn hoofd was bij het water. Het water was zijn ziel en zaligheid. Bijna alle boerenzoons gingen een paar keer per week naar de overkant naar de landbouwschool in Zetten. In de zomer waren de plukkers vaste klanten. Een boot voor de passagiers en een bak voor het vee. En als dan ´s avonds laat aan de andere kant aan de bel werd getrokken, zeiden ze in het café: Jan, de bel gaat, je moet over. Jan ging dan, hij was voor d´n duvel nog niet bang, zeggen ze nog in Ewijk.

Rikken kon hij ook. Op de zondagavond achter de kachel in het café met Grad van Deijzen, Henk en Driek Koenders, Dorus en Gradus Broeder.                                                      De lokroep van het water. In de winter organiseerde ijsclub Beatrix de eerste wedstrijden  op het gat van Jan Verweij. Na afloop kwam het bestuur met Has Hüttner, Henk Ceelen, Hent Thomassen en Theo Overmars bij elkaar en werden de prijzen uitgereikt. Feest dus. Vooral voor de boerenzoons die alleen hoefden te melken en dus snel weer op het ijs waren. Net als de meiden. Maar het mooiste was het gerucht door Ewijk ging: De Waal zit. Als de Waal was dichtgevroren en je na de overkant kon lopen. Zoals in 1947 en Jan Verweij samen met Hent Thomassen tussen de hoge ijsschotsen door een veilig pad zochten naar de overkant. Want het was gevaarlijk als de ijsschotsen door de stroming met daverend geweld over elkaar schoten. Als ze in hun geheugen graven horen de oude Ewijkenaren nog het donderende geweld van het kruien van het ijs. Samen met de klappen van de ijsbrekers waardoor iedereen weer naar de Waal werd gelokt. Daar was sensatie. Net als tijdens de kermis als hele families in het Veerhuis kwamen en ze met de benen buiten hingen. Of de vissers die in het gat genoten van de rust van het water.

Het Gat van Jan Verweij. Het is er nog net als de mensen die er komen kijken. Maar nu ligt het gat in de schaduw van de brug. Natuurlijk was Jan Verweij al een tijdje aan het kwakkelen, maar volgens zijn zoon Henk deed de naderende bouw van de brug hem geen goed. Hij zat vaak in zijn eentje op de bank naar het water te kijken. In 1972 is hij gestorven, 66 jaar oud. Maar vergeten is hij nog lang niet. Al is het maar om de naam die hij aan de het idyllische stukje dijklandschap in Ewijk heeft gegeven: het Gat van Jan Verweij.

Dit verhaal komt uit het boek Za'k oe's vertelle... (2009) geschreven door Hans Jacobs en is een uitgave van Pandora Ooij bv in opdracht van de Stichting ter Bevordering van het Historisch Besef in de gemeente Beuningen.