'Ik heb mijn moeder nooit ramen zien zemen'


Door: Hennie Sibon
Plaats: Weurt
Thema: Leven aan het water
Periode: 20ste eeuw

Mientje Stegeman.

“Als secretaris van de Stichting ter Bevordering van het Historisch Besef in de gemeente Beuningen was ik in 2009 betrokken bij de uitgave: Za’k oe’s vertelle…. In dit boek praat oud-journalist van de Gelderlander, Hans Jacobs, met een 24-tal inwoners uit de gemeente. Zij vertelden veel over hun verleden. Het verhaal dat de interviewer maakt met Mientje Stegeman was voor mij de aanleiding om meer over de levensomstandigheden van een parlevinkersdochter te weten te komen.”
Hennie Sibon.

 

“Ik ben in Weurt aan de sluis geboren. Mijn vader was schipper en toen in 1928 de sluis werd geopend en hij met zijn zwager een huis bouwde aan het kanaal, verkocht hij zijn schip en ging aan wal wonen. Het was een groot pand met 3 winkels er in. Wij hadden een kruidenierswinkel, naast ons was de tagrijn (oorspronkelijke benaming voor een handelaar in scheepsbenodigdheden, zeil, tuigage en ijzerwaren) en mijn oom leefde van de opbrengst van het café.

In de jaren ’30 begon mijn vader met de parlevinkerij. Dat was een extraatje. Heesakker, ook parlevinker en wij bedienden ieder onze eigen vaste klanten. De melk die wij verkochten kwamin het begin van de Melkerij Maas en Waal aan de Graafseweg in Nijmegen. Later leverde Melkerij Lent aan de Wedren ons de zuiveproducten.

Ik had 4 broers en 3 zusjes. Samen met moeder en oudste zus dreven zij hoofdzakelijk de winkel. Het was zwaar werk. De oudste zus deed de boekhouding; zij had ten slotte het middenstandsdiploma gehaald. Maar mama regelde alles. Zij kocht in en zorgde ervoor dat alles goed oogde in de winkel. Halflege koekjesblikken werden opnieuw gerangschikt en bijgevukd. ‘Want een half blik verkoopt niet.’
 Ik heb moeder nooit ramen zien zemen. Daar had ze geen tijd voor. Het omgaan met klanten was helemaal haar ding. Wij zeiden wel eens: ‘Als je stront in een potje deed, verkocht ze het ook nog.’
 Van verkwisting was geen sprake. Uit een 50 kilo zak suiker werden ook precies 50 losse zakjes van 1 kilo geschept.

Schippers kochten veel snoepgoed voor hun kinderen die op het internaat zaten. Moeder zette kleine zakjes snoep, zelf verpakt, bij de kassa. Dat werd zodoende makkelijk meegenomen. De goede groente was voor de verkoop, de oude groente at jezelf. Wij gooiden niets weg. Zelfs de papiertjes om de sinaasappels gebruikten wij. Daar werden bundeltjes van gemaakt als wc papier.

Vanaf mijn 20ste hielp ik ook mee in de winkel. De klanten uit Weurt kwamen zondags nog wel eens een kleinigheidje halen, zoals een half onsje thee, ‘want dat had moeder vergeten te bestellen bij de Gruyter’. Daar waren wij goed voor. Op zondagmiddag kwamen er altijd 2 boeren, vaste prik, dingen vrijen en kwamen een half ons toffees kopen van 25 cent per ons. Ze betaalden de ene week 13 cent en de andere week 12. En dan zei ik 13 cent. Dan zei zo’n boer dat hij de vorige week al 13 cent betaald had, dus geef ik je nu maar 12 cent. Knieperig waren ze.
     In het café kwamen zondagsmiddag ook de schippers die niet door konden (er werd zondags niet gewerkt op de sluis). Er werd lekker bij gekletst en men kwam bij elkaar voor de gezelligheid. De Weurtse mensen kwamen niet veel bij ons. De echte vaste café bezoekers bleven in het dorp.

Gedurende de oorlog ’40-45’ging de vaart gewoon door. Alles was op de bon. Soms ging mij vader `zwarte puf’ halen, die werd gestookt op de centrale. Dat spul was goud waard. Je kon er van alles van kopen. Van een goede kennis uit Rotterdam leerde mijn vader zeep maken van lijnolie met nog iets er doorheen gemengd. Het had een hele tijd nodig om hard te worden. Het waren brokken in deksels van koekblikken.

Bijzonder handig was hij in het splitsen van draden, stroppen en in maken met een splispin. Hij had het zichzelf eigen gemaakt. Hij vond het heerlijk om te doen. Dat was weer een extraatje. Ook maakte hij zeilen op maat, alles met de hand. Mijn vader stopte met zijn werkzaamheden toen hij 72 jaar was. Alles wat hij deed heeft hij prachtig gevonden.

Nadat ik de huishoudschool had doorlopen, heb ik de lingerie/kostuum-coupeuse opleiding gedaan. Later ben ik nog naar Den Bosch geweest waar ik in het weekend overbleef om er de lerarenopleiding te volgen. Ik werd lerares aan de VGLO school in het Waterkwartier in Nijmegen. De meisjes leerde ik op de Theresiaschool gewoon simpele dingen, zoals het maken van een nachthemd, bloes of broek. En vooral veel verstelwerk.        De belangstelling voor naaiwerk ontstond bij mij door het kijken naar het werk van onze thuisnaaister Sien de Wit uit Beuningen. Alle lapjes die zij liet vallen waren voor mij.

Omdat er thuis nogal wat mondjes te voeden waren deed ik er graag wat naaiwerk bij. Tot hun 12de of 13de hebben onze eigen kinderen nooit gekochte kleding gehad. Op de markt kocht ik een lapje van 5 gulden. Toen die Belse broeken in de mode kwamen, kostten die 100 gulden. En dan liet ik ze zo’n broek kopen moesten ze er altijd bij zeggen, dat als moeder het niet goed vond dat ze hem weer terug mochten brengen. Dan maakte ik er ’s avonds een patroon van en de volgende dag liet ik ze de broek weer terug brengen. Ook vele vrienden en vriendinnen van onze kinderen hebben geprofiteerd van dit trucje.

De tijden veranderden, de scheepvaart kende een bloeitijd en er kwamen koelkasten aan boord van de schepen. Schepen lagen niet lang genoeg meer stil, de vrachtvaart ging min of meer dag en nacht door. We stopten met de winkel. Mijn broer ging nog een paar jaar door met het parlevinken en in 1965 stopte hij ook. De tagrijn was al eerder gestopt, dat werd een slagerij. Eerst dreef Vermeulen die winkel en later Janssen. Hij had een bijnaam: Schuurbaas. Hoe hij er aan gekomen is weet ik niet. Hij was bekend om zijn leverworst.

Gedurende ons werkzame scheepvaartleven hadden we veel vastwerk op de steenfabriek in Druten. Ook voeren veel op de Maas naar de Enci cement fabriek bij Maastricht. We vervoerden ook veel vormzand, bestemd voor de steenfabrieken. Ook sintelvervoer van de Nijmeegse kolencentrale naar de betonfabriek in Maarssen behoorde tot de werkzaamheden.

Echt aan wal kwamen mijn man Henk en ik in december ’62. We kochten grond in Weurt en ons huis noemden we ‘De Haven’. Dat vonden we wel heel toepasselijk. Henk kon het niet laten toch weer contact te zoeken met het water. We kochten een motorbootje van de buurman. Het geheel werd opnieuw betimmerd. Vanaf 1992 hebben we nog 10 jaar lang samen genoten van het varen naar oude bekende plekjes van vroeger.

Van onze kinderen is er niemand schipper geworden. Wel trouwden 2 zusjes met een schipper en een broer trouwde met een schippersdochter. De handelsgeest van moeder is nog wel over gegaan op een zusje. Die heeft nog een melk-zaak met kruidenierswaren erbij gehad.

Al met al heb ik geen saai leven gehad. Door het contact met veel andere mensen was het iedere dag wel weer wat anders. Voor mij was en is het nog steeds goed toeven in Weurt.”